Op 25 juli 2026 schonk C.C. (Carla) van Baalen haar werkarchief van haar promotieonderzoek Paradijs in oorlogstijd aan het Cultuur Historisch Centrum Noordoostpolder (CHC NOP). Het archief bevat de onderzoeksgegevens, interviews, notities en bronnen die zij verzamelde voor haar onderzoek naar onderduikers in de Noordoostpolder tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Van Baalen vertelde tijdens de overdracht hoe zij destijds als net afgestudeerde betrokken raakte bij dit bijzondere onderzoek.

“Het was halverwege de jaren tachtig. Er was veel werkloosheid en ik had een tijdelijk baantje. In die periode werd onderzoek opgezet naar de geschiedenis van allerlei aspecten van Flevoland en de Noordoostpolder. Dit gebeurde in opdracht van G.H.L. (Guus) Tiesinga, de directeur van de Stichting voor het bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders. De Stichting, gevestigd in Amsterdam, verzorgde cultuurhistorische publicaties en onderzoek naar Flevoland en het IJsselmeergebied.”

Begin 1984 was het projectplan voor het onderzoek naar de onderduikers in de Noordoostpolder gereed. Besloten werd niet langer via een oproep in de krant te zoeken naar onderzoekers vanwege eerdere ervaringen waarbij vele tientallen zo niet honderden reacties binnenkwamen. Tiesinga informeerde bij de universiteiten van Amsterdam en Leiden naar net afgestudeerden die hij zou kunnen benaderen voor dit onderzoek. Uiteindelijk kregen vier of vijf mensen een brief met de vraag of zij interesse hadden in een baan als onderzoeker naar onderduikers in de Noordoostpolder.

“Ik was één van hen en had zeker interesse. Ik werd tot mijn verrassing uitgekozen en stapte er eigenlijk volledig blanco in. Ik vond het ontzettend leuk. In juni 1984 kon ik beginnen met het onderzoek.”

De persoonlijke betrokkenheid kwam al snel. “Mijn schoonvader had de oorlog bewust meegemaakt als jongeman, hij was achttien toen de oorlog begon. Hij had zelfs overwogen om naar de Noordoostpolder te gaan om onder te duiken, maar uiteindelijk is dat niet gebeurd. Dat maakte het onderwerp voor mij extra interessant.

Zelf had ik op dat moment niet echt een bijzondere interesse in de oorlog. Mijn vriend daarentegen was er zeer in geïnteresseerd en kon er veel over vertellen. Hij deed er onderzoek naar voor zijn doctoraalscriptie. Door mijn onderzoek had ik aan de keukentafel ineens ook iets te vertellen en kon ik meepraten.”

Op onderzoek in archieven en de Noordoostpolder

In de zomer van 1984 begon Van Baalen haar onderzoek. Een belangrijk onderdeel was het werken met archiefmateriaal.

“Ik weet nog goed dat ik bij een dependance van het NIOD in de kelder onderzoek deed. Het was er uitgestorven op een enkele spin na. Een wat oudere medewerker zei op een dag tegen mij: ‘Och meisje, ga toch lekker naar het terras met dit mooie weer.’ Maar ik zat daar midden in mijn onderzoek en wilde natuurlijk verder.”

Naast archiefonderzoek bestond een groot deel van haar werk uit het interviewen van mensen die de oorlog in de Noordoostpolder hadden meegemaakt.

“Om mensen te interviewen die nog in de Noordoostpolder en omgeving woonden, moest ik vanuit de stad met de bus reizen. Dat duurde soms drie tot vier uur. Dat was natuurlijk geen doen. Tiesinga stelde daarom voor om tijdelijk in de Noordoostpolder te verblijven en een slaapplek te zoeken, zodat ik op één dag meerdere mensen kon interviewen.”

“Ik stelde voor om in hotel ’t Voorhuys te verblijven. Dat bleek natuurlijk financieel niet haalbaar. Uiteindelijk vond ik onderdak bij Koen Fonk, die een pension had voor mensen die om uiteenlopende redenen tijdelijk onderdak nodig hadden.”

“Dat was heel bijzonder. Aan het ontbijt zat ik tussen jongeren uit allerlei situaties, met de meest uiteenlopende verhalen en ervaringen. Mijn verhaal over onderzoek naar de oorlogsgeschiedenis van de Noordoostpolder viel best wel uit de toon.”

De interviews

Het afnemen van de interviews ging haar naar eigen zeggen goed af.

“Ik was voor veel mensen natuurlijk ‘het meisje uit de stad’. Maar nadat ik mij had voorgesteld – tuindersdochter uit het Westland – was het ijs meestal snel gebroken.  Mijn geluk was dat veel van de geïnterviewden net met pensioen waren. Ze hadden tijd om terug te kijken op hun leven en waren vaak nog heel actief. Ze wisten ontzettend veel.”

Wel merkte ze dat herinneringen na veertig jaar soms vervaagd waren.

“Soms moest ik helpen om het geheugen weer op gang te brengen. Daarnaast kwamen verhalen niet altijd met elkaar overeen. Dat was natuurlijk interessant, maar betekende ook dat ik kritisch moest kijken naar wat ik met bepaalde herinneringen kon doen.”

Achteraf denkt Van Baalen dat het onderzoek nog uitgebreider had kunnen worden.

“Het is jammer dat er nooit een oproep in een landelijke krant is geplaatst. Misschien had ik dan nog meer of andere mensen kunnen interviewen.”

De schenking van het werkarchief van Carla van Baalen aan Aukje van der Molen namens het Cultuur Historisch Centrum Noordoostpolder

Promoveren op het onderzoek

Het afronden van het onderzoek ging niet zonder moeite. “Op een gegeven was het geld voor het project op terwijl er nog voor zo’n drie à vier maanden werk was. Afijn, het is uiteindelijk goed gekomen, vooral doordat ik er zelf veel tijd en energie in heb gestoken.”

Tot haar verrassing kreeg zij daarna de vraag van de Leidse hoogleraar Vaderlandse geschiedenis Ivo Schöffer (1922-2012) of ze op haar onderzoek wilde promoveren. Tiesinga had het manuscript van het boek aan Schöffer ter lezing aangeboden.

“Dat had ik vooraf nooit bedacht. Dat ik op dit boek – dat al helemaal af was! – ook zou kunnen promoveren. Het enige wat ik nog moest doen, zo vertelde Schöffer mij, was tien stellingen bedenken die bij het proefschrift zouden worden gevoegd. (In die tijd waren stellingen namelijk nog verplicht voor promovendi.)”

Haar onderzoek resulteerde uiteindelijk in het proefschrift Paradijs in oorlogstijd? Onderduikers in de Noordoostpolder 1942-1945, dat in november 1986 verscheen. Van Baalen was 25 toen ze afstudeerde (januari 1984) en 27 toen ze promoveerde.

Terugblik

Na haar promotie had Van Baalen graag verder onderzoek willen doen naar de Noordoostpolder in de jaren veertig, niet alleen naar de bezettingsjaren (1940-1945) maar ook naar de jaren die daarop volgden.

“Het is een uitermate interessante periode. Maar uiteindelijk besloot ik toch om elders te solliciteren. Ik kreeg een baan in Nijmegen en ging verder met mijn leven. Van nader onderzoek naar de geschiedenis van de Noordoostpolder is het nooit gekomen.”

Toch kijkt zij met veel plezier terug op die periode.

“Het was een bijzondere ervaring. Ik heb veel geleerd, veel bijzondere mensen ontmoet en een stukje geschiedenis mogen vastleggen dat anders misschien verloren was gegaan.” Met de schenking van haar werkarchief aan het CHC NOP blijft dit onderzoek beschikbaar voor toekomstige generaties onderzoekers die zich willen verdiepen in de geschiedenis van de Noordoostpolder tijdens de Tweede Wereldoorlog. 


0 reacties

Geef een reactie

Avatar plaatshouder

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *